Blog: Duitse taal blijft zorgenkindje

Blog: Duitse taal blijft zorgenkindje

De economische relatie met Duitsland zit weer in de lift na het door de coronapandemie geteisterde rampjaar 2021. Op sociaal-cultureel vlak blijkt er veel minder reden om te juichen: de Duitse taal blijft vooralsnog een zorgenkindje. De herstelde liefde tussen de landsburen lijkt zich vooral te beperken tot het economische domein, zo blijkt uit een eerste onderzoek door het Rijnland Instituut

Op 6 juli bracht het CBS het nieuws dat de export naar Duitsland in de eerste vier maanden van dit jaar is gegroeid, zo ook te lezen in dit artikel. Duitsland verstevigt daarmee zijn plek als nummer 1 van exportlanden nog maar eens, een relatie die meerdere miljarden waard is. Het maakte het Rijnland Instituut nieuwsgierig om te onderzoeken of de kennis van en de keuze voor het Duits mede profiteert van de uitgesproken innige handelsrelaties tussen Nederland en Duitsland. Het onderzoek is toegespitst op de positie van het Duits op een ROC in Noord- en Oost-Nederland. Op drie locaties van het Alfa-college zijn studenten bevraagd, wat 136 responses vanuit allerlei verschillende opleidingen opleverde; van allround schoonheidsspecialiste tot verzorgende IG.

72 procent van deze studenten heeft Duits gehad op de middelbare school. De beheersing van de taal krijgt echter een dikke onvoldoende: 67 procent van de studenten geeft zichzelf daarvoor een 5 of lager (ranking van 1-10), en geeft daarmee aan zich er dus niet mee te redden in de dagelijkse praktijk.

Van de 136 respondenten gaven 102 aan niet te kunnen kiezen voor de Duitse taal in hun pakket, wat een alarmerend hoog percentage is: 75 procent. 20 procent had wel de mogelijkheid om Duits te volgen tijdens de opleiding, en 5 procent had geen idee van zijn of haar mogelijkheden op het gebied van de Duitse taal. Alhoewel 70,6 procent van de ondervraagde studenten Duits als nuttig ziet (met een ranking van 6 of meer), krijgt maar 8 procent het vak aangeboden én maakt de keuze om Duits te volgen. 20 procent kan het vak niet kiezen, maar zou dit wel willen doen. Een stage in Duitsland is ook relatief in trek: 20 procent ziet dit zitten, en 11,8 procent ziet toekomstmogelijkheden op werkvlak in het buurland.

Het lijkt erop dat de meeste studenten een goed beeld hebben van de kansen die in Duitsland liggen, maar dat de overwegende meerderheid zichzelf niet ziet als diegenen die deze kansen moeten gaan benutten. Ook al is Duitsland een ‘leuk land’ en is het in hun woorden ‘belangrijk’, ‘erg handig voor de toekomst’ en zou het ‘verplicht of tenminste een keuzevak’ moeten zijn, toch blijft de taalbarrière een issue: het is een ‘lastige taal’. Uit deze eerste peiling blijkt vooral dat er op het mbo nog een wereld te winnen valt als het gaat om de promotie van het Duits. Mogelijk is er eveneens sprake van eenzelfde onderaanbod op het hbo. Er lijkt alle reden te zijn om een dergelijk onderzoek op grotere schaal nogmaals uit te voeren, waarbij dan niet alleen mbo’ers, maar ook hbo’ers in de grensregio zouden worden gevraagd naar hun ervaringen met de Duitse taal.

Aan nieuwsgierigheid naar de Duitse buur schort het in elk geval niet; de verwevenheid van de economieën in grensstreken zal, zo is de verwachting van het Rijnland Instituut, alleen maar groeien. Onder de respondenten van de enquête is de juiste basishouding in ieder geval aanwezig: een ‘tripje naar Duitsland is zeker niet verkeerd’. En zo is het maar net.

Over de auteur 

Annick Bakker is wetenschappelijk medewerker bij het Rijnland Instituut en Lecturer European Studies aan NHL Stenden.

 

 

 

  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
X