Het percentage deeltijdwerkers aan weerszijden van de Nederlands-Duitse grens verschilt aanzienlijk. In de Nederlandse grensregio’s was het aandeel in 2016 bijna tweemaal zo hoog als aan de andere kant van de grens. Dit blijkt uit een onderzoek waarbij het CBS heeft samengewerkt met IT.NRW en LSN, de statistiekbureaus van de Duitse deelstaten Noordrijn-Westfalen en Nedersaksen.

In 2016 werkte in de Nederlandse grensregio 54 procent van de werknemers van 15 tot 65 jaar in deeltijd, aan Duitse kant was dat 28 procent. Zowel aan Duitse als aan Nederlandse zijde is het percentage deeltijdwerkers onder vrouwen hoger, maar aan weerszijden van de grens liggen de aandelen ver uit elkaar. In de Nederlandse grensregio’s werkte ruim 83 procent van de vrouwelijke werknemers in deeltijd, aan Duitse kant was dat bijna 52 procent. Ook een groter deel van de Nederlandse mannelijke werknemers werkte in deeltijd: bijna 27 procent tegenover ruim 9 procent aan Duitse kant.

Verschillen nationale regio’s klein

De verschillen tussen nationale grensregio’s waren relatief klein. Aan de Nederlandse grens varieerde in 2016 het aandeel werknemers van 15 tot 65 jaar die in deeltijd werkten van 51 procent in COROP-regio Delfzijl tot 58 procent in Zuidoost Drenthe. Aan de Duitse grens had Kreis Düren met 24 procent het laagste en Kreis Steinfurt met 31 procent het hoogste aandeel deeltijdwerkers.

Overigens is het beeld in de Nederlandse grensregio’s vergelijkbaar met dat van de andere Nederlandse regio’s. Net zo komen de cijfers in de Duitse grensregio’s overeen met die in de rest van Nedersaksen en Noordrijn-Westfalen, de federale staten waarin de grensregio’s liggen.

Europees samenwerkingsproject

De cijfers zijn samengesteld in het kader van een Europees samenwerkingsproject tussen het CBS, IT.NRW en LSN, de statistiekbureaus van Noordrijn-Westfalen en Nedersaksen. Als bron is de EU Labour Force Survey gebruikt, voor Nederland is dat de Enquête beroepsbevolking en voor Duitsland de Mikrozensus.