Nieuwe EU-richtlijn voor grensoverschrijdende nalatenschappen

Ieder land heeft zijn eigen regels van erfrecht. In de meeste gevallen woont de erflater op het moment van overlijden in het land waarvan hij ook de nationaliteit bezit. Dan bestaat er geen onduidelijkheid. Overlijdt er echter een Nederlander die woonachtig is in Duitsland, dan is niet automatisch het Nederlands recht op de regeling van de nalatenschap van toepassing. Integendeel. Sinds medio augustus 2015 bepalen EU-regels dat vanaf het moment van verhuizing naar een andere lidstaat het “recht van de vaste verblijfplaats” (gewöhnlicher Aufenthalt) van toepassing is. Een voorbeeld: leeft en sterft een Nederlander in Duitsland, is voor diens complete nalatenschap volgens de nieuwe regelingen Duits recht van toepassing, en wel vanaf de eerste dag dat deze Nederlander zijn vaste verblijfplaats in Duitsland onderhoudt en niet meer, zoals voorheen, wanneer de erflater zich direct voor zijn dood tijdens een periode van minimaal 5 jaar zonder onderbreking in Duitsland had opgehouden.
Wel kunnen Nederlanders die in Duitsland hun vaste verblijfplaats onderhouden in hun Duitse testament bepalen, dat hun nalatenschap volgens Nederlands recht wordt verdeeld.
Net als in Nederland verdeelt in Duitsland de wettelijke erfopvolging (Gesetzliche Erbfolge) familieleden in groepen. Erfgenamen van de eerste groep (Erste Ordnung) zijn de afstammelingen van de erflater (Erblasser). In eerste instantie zijn dit de kinderen. Wanneer een kind niet meer leeft diens afstammelingen, dus de kleinkinderen en achterkleinkinderen van de overleden persoon. Erfgenamen van de tweede groep (Zweite Ordnung) zijn de ouders van de overleden persoon en hun afstammelingen, dus moeder, vader, broer en zus van de overledene. Zij komen enkel aan bod, wanneer er geen erfgenamen in de eerste groep bestaan. Erfgenamen van de derde groep (Dritte Ordnung) zijn de grootouders van de overledene en diens afstammelingen (tantes, ooms, neven en nichten). Erfgenamen van de vierde groep en verdere groepen (Vierte Ordnung und weitere Ordnungen) zijn de overgrootouders van de overledene en diens afstammelingen.

Aangezien er de afgelopen jaren veel Nederlanders in Duitsland zijn gaan wonen, krijgt ook deze groep in geval van overlijden met de verdeling van een nalatenschap te maken.
Persoonlijke wilsbeschikkingen zoals een testament of een beschikking vanwege overlijden die in het verleden in Nederland werden opgezet, zijn in Duitsland niet zonder meer van toepassing. Het is daarom geboden, een testament naar Duits recht op te maken. In een testament kan een persoon in beginsel vrij bepalen wie wat onder welke omstandigheden van zijn vermogen ontvangt. Let wel: een erflater kan weliswaar een lid van de verwantschap onterven. Maar diens legitieme portie (Pflichtteil) kan hij hem volgens Duits recht slechts onder bepaalde voorwaarden onttrekken.

Vaak bevindt zich het testament of een bewijs van erfgenaamschap in Nederland. Tot op heden werd dit Nederlands bewijs van erfgenaamschap in Duitsland niet erkend. Om bijvoorbeeld een perceel bij het Grundbuchamt (kadaster) op naam van de erfgenamen te kunnen overschrijven of bij de bank lopende en spaarrekeningen op te zeggen en het vermogen te verkrijgen, had men een Duits bewijs van erfgenaamschap nodig. Met de nieuwe EU-voorschriften, die nu van toepassing zijn, kunnen bijvoorbeeld Nederlandse erfgenamen voortaan zonder verdere formaliteiten in Duitsland hun erfgenaamschap bewijzen.

Alexander_04_1hf
Over de auteur
Alexander M. Crämer is advocaat bij STRICK – Rechtsanwälte & Steuerberater en is gespecialiseerd in de vakgebieden Internationaal erfrecht, Aankoop van Duits vastgoed, Internationaal belastingrecht, Commercieel huurrecht en Vennootschapsrecht.
Regelmatig houdt hij ook lezingen over het Duitse erfrecht.

STRICK – Rechtsanwälte & Steuerberater
Siemensstr. 31
D-47533 Kleve
Tel: +49 (0) 2821-72220
Mail: kanzlei@strick.de
www.strick.de